Economic Partnership Agreements:

een nieuw recept of uitverkoop van ontwikkelingslanden?

 

Geen duidelijke economische ontwikkelingen

Tijdsdruk

Investeringen en andere onderwerpen

Oneerlijke concurrentie

Landbouwsubsidies

Verlies van overheidsinkomsten

Groeiend verzet

 

Terwijl de internationale handelsdiscussie tot voor kort vooral in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) werd gevoerd, zijn regionale onderhandelingen de laatste jaren steeds belangrijker geworden. In 2003 liep de WTO-conferentie in Cancún, Mexico, uit op een mislukking. De conferentie was vooral bedoeld om voor alle landen die lid zijn van WTO, geldende handelsafspraken te maken. Consensus werd er niet bereikt. Ook op de WTO-conferentie eind 2005 in Hongkong slaagde men er niet in de onderhandelingen weer vlot te trekken en in de zomer van 2006 werden ze door de directeur van de WTO, Pascal Lamy, stopgezet.

Hierdoor zijn (ontwikkelings)landen in toenemende mate aangewezen op rechtstreekse onderhandelingen met de rijke landen. Zo onderhandelen 77 landen in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan, ofwel de ACS-landen, sinds kort met de Europese Unie over de zogenaamde Economic Partnership Agreements: EPA’s. De ACS-landen zijn vroegere koloniën van Europese landen. In 1975 sloot de EU met deze landen in Togo de zogenaamde Lomé-verdragen: een reeks van afspraken over ontwikkelingshulp, maar ook over culturele samenwerking en handelsvoordelen.

Sinds jaar en dag hebben de ACS-landen een voorkeursbehandeling in de handelsbetrekkingen met Europa via deze Lomé-verdragen. In juni 2000 ondertekenden zij het Cotonou-verdrag met de lidstaten van de EU. EPA’s zijn een belangrijk onderdeel van dit verdrag. Onder het mom van armoedebestrijding breken de EPA’s met het verleden door het bestaande stelsel van voorkeursafspraken op handelsgebied ten bate van de ACS-landen (de basis van de Lomé-verdragen) te vervangen door relaties op basis van “gelijkwaardigheid”. Regionale samenwerking tussen ACS-landen en vrijhandel moeten de sleutel vormen voor de integratie in de wereldeconomie en zo de nodige inkomsten opleveren voor de ontwikkeling van de ACS-landen.

 

 

Geen duidelijke economische ontwikkelingen                               

Het `voorkeurssysteem’  komt steeds meer onder druk te staan van niet ACS-landen die ook toegang willen tot de aantrekkelijke Europese markt. Zij maken aanspraak op de regelgeving binnen de WTO, die een gelijke behandeling voorschrijft voor landen met eenzelfde ontwikkelingsniveau. Kortom, als aan ACS-landen markttoegang tot de EU wordt gegeven voor bijvoorbeeld bananen en suiker, moet de EU deze voordelen ook aan landen in bijvoorbeeld Midden-Amerika geven.

Om toch de handelsrelatie tussen de EU en de ACS-landen te behouden, heeft de EU voorgesteld om EPA-verdragen af te sluiten met regionale handelsblokken binnen deze groep landen. Een mooi voorstel, ware het niet dat de EU in ruil voor het handhaven van een vrije markt ook vergaande toegang van Europese producten op ACS-markten vraagt. EPA’s leiden daarom tot felle discussies in de EU, maar zeker ook in de ACS-landen zelf. Vrijhandel blijkt namelijk lang niet altijd samen te gaan met armoedebestrijding en met voldoende investeringen van de overheid in de sociale sector. Dit zijn echter wel de doelen zoals vastgelegd in het Cotonou-verdrag.

naar boven

Tijdsdruk

Een complicerende factor is dat de EPA-onderhandelingen onder een grote tijdsdruk staan. Waar de Europese integratie decennia lang heeft geduurd, moeten EPA’s tussen september 2002 en eind 2007 voorbereid worden en in een periode van 10 jaar zelfs volledig ingevoerd zijn. Deze korte periode wordt door de wereldhandelsorganisatie (WTO) aan regionale samenwerkingsverbanden opgelegd.

Investeringen en andere onderwerpen

Vrijhandel is er volgens de EU niet alleen om te voldoen aan WTO-criteria, maar ook om te komen tot een toename van investeringen en handelsstromen die nodig zijn voor de economische ontwikkeling van de ACS-landen. De EU gaat zelfs nog verder dan wat de  WTO aan deze landen vraagt: in de EPA’s zouden volgens de EU-commissie ook onderwerpen als investeringen, concurrentiebeleid, overheidsaanbestedingen, openbare dienstverlening, handelsfacilitatie en informatiebescherming `onderhandelbaar’ gemaakt moeten worden. Ontwikkelingslanden vrezen door deze complexiteit de eventuele gevolgen van EPA-akkoorden niet meer te kunnen overzien.

naar boven

Oneerlijke concurrentie

EPA’s mikken op vrijhandel tussen de EU en de ACS-landen. Deze voorgestelde vrijhandel stuit echter op allerlei problemen. Neem de kippensector in Senegal. Eind jaren negentig kende dit land een florerende pluimveehouderij en zelfs een middenklasse van boeren. Onder druk van de Wereldbank verlaagde Senegal de tarieven voor geïmporteerd kippenvlees van 55 naar 20 procent. Het gevolg was een enorme stijging van de import van goedkope diepgevroren kippenvleugels uit Nederland en België, waardoor de pluimveehouderij in Senegal werd weggevaagd. Op dezelfde wijze zullen ook landbouwsectoren en de industrie in andere ACS-landen worden blootgesteld aan de concurrentie van de Europese Landen.

Landbouwsubsidies

Merkwaardig genoeg houden de EPA’s geen rekening met de landbouwsubsidies van de EU. Juist daar wringt de schoen het meest. EPA’s betekenen bijvoorbeeld dat tomaten uit Ghana vrij op de Italiaanse markt verkocht kunnen worden, maar ook dat Ghana zich omgekeerd niet kan beschermen tegen Italiaanse tomatenimport. Dat is lastig als je bedenkt dat Zuid-Europese tomatentelers jaarlijks voor gemiddeld 372 miljoen euro aan Europese landbouwsubsidies ontvangen. Dit staat in schril contrast met het feit dat de Ghanese overheid de eigen landbouw niet mag steunen. Deze regeling volgt uit de structurele aanpassingsprogramma’s die door de Wereldbank en het IMF aan Ghana zijn opgelegd.

Critici van vrijhandel wijzen op de vele voorbeelden van boeren in ontwikkelingslanden die niet kunnen concurreren met hun Noordelijke, veelal gesubsidieerde, collega’s. Zij betogen dat de Noordelijke landen zich in vele gevallen via beschermingsregelgeving hebben ontwikkeld en gebruiken het ‘infant industrie’ argument, dat ontwikkelingslanden in staat zou stellen om zich te ontwikkelen onder bescherming van importtarieven. De EPA’s ontnemen echter ontwikkelingslanden de mogelijkheid om deze strategie te gebruiken. Verder ontbreekt het de meeste ACS-landen aan de benodigde infrastructuur, zoals wegen, elektriciteit, havenvoorzieningen, om export naar de EU mogelijk te maken. Producenten in ontwikkelingslanden hebben bovendien moeite om te voldoen aan de standaarden die Europa voorschrijft voor die producten (non-tarifaire handelsbelemmeringen).

naar boven

Verlies van overheidsinkomsten

Eén van meest onderschatte gevolgen van vrijhandel is dat landen niet meer in staat zullen zijn om importbelastingen te heffen aan hun grenzen. Importheffingen zijn, in tegenstelling tot Europese landen, voor overheden in de ACS-landen een belangrijke bron van inkomsten. Door het afsluiten van een EPA dreigen zij wel tot twintig procent van hun nationale budget te verliezen, wat desastreus zal uitpakken voor onderwijs, gezondheidszorg, en milieumaatregelen.

Groeiend verzet

Dat de ACS-landen met de EU onderhandelen betekent geenszins dat zij akkoord zijn met de handelswijze van de EU. Zo spraken diverse ministers van de ACS hun ontevredenheid uit. De handelsministers uit Kenia stelden zelfs dat als ‘We een einde aan de armoede willen maken, we een einde aan de EPA’s moeten maken’. De ACS-landen staan echter machteloos tegenover de overweldigende Europese onderhandelingsmachine, die geld uit de ontwikkelingsbudgetten als oneigenlijk onderhandelingsonderpand gebruikt. Door grote druk uit te oefenen slaagt de Europese Commissie erin om de EPA-onderhandelingen door te zetten. Dat wordt echter steeds moeilijker, gezien de algemeen groeiende kritiek op de onderhandelingen.

Vooral in Afrika groeit het verzet tegen EPA’s explosief. Op het Afrikaans Sociaal Forum in Lusaka in november 2004 lanceerde het African Trade Network officieel de STOP EPA campagne. Het Forum waarschuwde dat EPA’s kunnen leiden tot deïndustrialisatie in Afrika: ‘de Afrikaanse regio’s worden gereduceerd tot afzetmarkten voor Europa. Het afschaffen van importtarieven zal de soevereine rechten van Afrikaanse regeringen ondermijnen’.

In Europa wordt de campagne gesteund door grote milieu- en ontwikkelingsorganisaties. Ook in Nederland worden steeds meer groepen actief (zie Wie zijn wij). Bovendien komen er steeds meer kritische geluiden uit de hoek van de Verenigde Naties.

Europese overheden lijken open te staan voor de kritiek, maar hebben nog geen concrete acties ondernomen om de EPA’s  ontwikkelingsvriendelijker te maken. Dit zal wel snel moeten gebeuren want de tijd dringt: op 1 januari 2008 moeten de onderhandelingen afgerond zijn en behoren EPA’s de ontwikkeling van ACS-landen te ondersteunen. Vooralsnog lijkt dit onmogelijk!

naar boven